Dit overzichtsartikel van Kent Berridge en Terry Robinson uit 2025 geeft de essentie weer van de 'Incentive-Sensitization' theorie van verslaving. Herhaald middelengebruik maakt het beloningssyteem overgevoelig daaraan. Dat leidt tot een compulsieve drang naar het middel en is reden voor controleverlies en voor herval. Drang is het kernbegrip bij verslaving.
Beide auteurs zijn neuropsychologen aan de universiteit van Michigan in AnnArbor VS en wonnen in 2019 de Grawemeyer Award for Psychology voor deze bijdrage. Deze theorie staat met stip in de lijst van mijn hallmark artikels. Iets wat je moet lezen!
De referentie van het artikel: Robinson, T. E., & Berridge, K. C. (2025). The Incentive-Sensitization Theory of Addiction 30 Years On. Annual Review of Psychology, 76(1), 29–58.
Het volledige artikel is te downloaden op volgende url: https://doi.org/10.1146/annurev-psych-011624-024031
De Incentive Sensitization theorie:
De vraag die elke verslavings therapeut zich stelt is: Waarom blijven mensen producten gebruiken waardoor ze elke keer opnieuw in de problemen komen? Of waarom hervallen deze mensen na een langere periode van abstinentie?
In de jaren '80 is ontdekt dat alle producten die verslaving kunnen uitlokken doorheen de bloed-hersenbarrière komen en o.a. de neurotransmitter dopamine verhogen in het mesolimbische systeem, ook belonings- of motivatiesysteem genoemd. Aanvankelijk legde men de nadruk op het 'beloningsaspect'. Dat betekent dat wat belonend is herhaald zal worden, het mechanisme van de bekrachtiging. De toegenomen dopamine na druggebruik werd als de bekrachtiger beschouwd. Dopamine als het 'genotshormoon '.Berridge en Robinson hebben zich altijd tegen deze interpretatie verzet. Het beloningssysteem in de hersenen maakt gebruik van voornamelijk twee neurotransmitters die elk een verschillende functie hebben. Er is endorfine die het genot codeert en er is dopamine die wat er aan genot voorafgaat codeert. Dat zijn de gevoeligheid aan signalen van beschikbaarheid, de activatie van zoekgedrag en consumeergedrag. Door herhaald gebruik van dopamineverhogende middelen (drugs, alcohol, nicotine) neemt dat laatste toe, wat de auteurs 'wanting' hebben genoemd en niet het genot, wat ze 'liking' noemen.
1) Onderscheid Liking en Wanting.
Met onderzoek op proefdieren konden ze aantonen dat gemotiveerd gedrag uit twee componenten bestaat, deze noemen ze "Liking" en "Wanting". Eerst wordt er interesse in een stof getoond omdat ze 'lekker' is en tegelijk zet 'verlangen' gedrag in gang om dat lekkere te consumeren. De auteurs toonden aan dat beide niet in gelijke mate aanwezig zijn en dat ze steunen op verschillende neurologische circuits. "Wanting" of een staat van verlangen, een taakspanning, wordt gecodeerd door neuronen die met dopamine signalen overbrengen. "Liking" wordt door andere neurtransmitters (endorfines) gecodeerd op andere plaatsen in het brein. Herhaald innemen van verslavende stoffen zoals alcohol, nicotine, cannabis, amfetamine, cocaïne, enz. leidt tot een verstoorde "Wanting" systeem of een moeilijk te controleren verlangen of compulsieve drang om het product in te nemen.
2) Incentive-Salience.
De toegenomen gevoeligheid voor omgevingsprikkels (cue's) die op een Pavloviaanse wijze geassocieerd zijn geworden met het dopamineverhogende product zelf gaat deze context dezelfde aantrekkingskracht uitoefenen als die actieve producten. Dat noemen ze 'incentive-salience, een 'willen' dat niet meer in verhouding staat met de eigenlijke genotservaring. Het verlangen neemt toe maar niet het genot. Het verlangen wordt gewekt om bijvoorbeeld cocaïne te gaan zoeken en gebruiken wanneer men in het café is waar men doorgaans cocaïne gebruikte. Het systeem is gevoelig gemaakt voor deze prikkels. De dopamine reactie zorgt voor een sterk verlangen, hunkering om het product te zoeken en in te nemen. Deze gevoeligheid blijft lang aanwezig omdat er zich veranderingen in de celstructuren voordoen (meer dendrieten en receptoren in cellen die verbonden zijn met de geheugenplaatsen van die prikkels, zgn. neuroplasticiteit). Wat kan verklaren waarom men soms na jaren abstinentie hervalt op een plek waar men vroeger gebruikte of zich van het gebruik levendige voorstellingen maakt in de verbeelding.
3) Klinische observatie
De auteurs stellen dat het onderscheid tussen 'liking' en 'wanting' gekend is bij druggebruikers. Zij kennen de dissociatie tussen de drang die ze voelen voor een product, die altijd hoog blijft, en het genot van dat product dat niet in verhouding is. Langdurige gebruikers zeggen zelfs niet meer te genieten van hun drug maar er toch sterk naar te verlangen. De context waarin drugs worden gebruikt zijn erg belangrijk om dat verlangen te wekken. Wat voorheen neutraal was, zoals bijvoorbeeld het wit-emaille sanitair van en kroeg, kan de drang om cocaïne te snuiven sterk doen toenemen als daarop altijd al werd gesnoven. Tenslotte kan men observeren dat middelengebruik na verloop van tijd geassocieerd raakt met pijn en erge gevolgen zodat het niets meer met genot te maken heeft, wel in tegendeel, maar dat de drang ernaartoe toch terug in alle hevigheid kan oplaaien.
Belang
Het belang van deze theorie is dat ze verslaving definieert als uiting van een verstoorde hersenactiviteit. De herhaalde blootstelling aan alcohol en drugs met telkens een dopaminepiek maakt het individu extra gevoelig voor omgevingssignalen die naar het product verwijzen. Die signalen lokken een verlangen uit en tegelijkertijd het idee dat het product erg belangrijk is en dat men dat nodig heeft. De drang wordt uitgelokt door omgevingsvariabelen. Dat in tegenstelling met theorieën die verslaving in de persoonlijkheid van de betrokkenen definiëren als een vorm van zelfmedicatie. Verslaving is daarmee verwant aan de obsessief compulsieve stoornissen. Het individu is gestoord in zijn omgang met de wereld, sommige consumptieproducten worden overgewaardeerd en men is hypergemotiveerd om ze te verwerven ook al kiest me daar niet voor. Verzet men zich ertegen dan wordt de angst verhoogd. Dat kan aanleiding geven tot onaangepast gedrag met kwalijke gevolgen. De auteurs kwalificeren verslaving als een ziekte.
Verwijzingen naar deze theorie vindt men terug bij alle neurobiologen die verslaving onderzoeken: Nora Volkow (US), Trevor Robbins (UK), Christian Lüscher (CH), Patrick Anselme (DE), Xavier Noël (BE).